De toekomst van de landbouw: techniek ten dienste van ecologische intensivering

Een nieuwe naam voor een oude landbouwtechniek

© Reporters

Wie natuurlijke processen en landbouw met elkaar wil verzoenen, moet de nodige kennis aan de dag kunnen leggen en leren omgaan met een zekere mate van onvoorspelbaarheid.

De landbouw van morgen heeft pas toekomst als hij de kringloop sluit en van afval voedsel maakt. ‘De grote uitdaging is om de uitstoot van broeikasgassen om te buigen in de opslag van koolstof. Als we boeren met respect voor de bodem, dan lukt dat.’Een van de proefstations van Bert Reubens van het Instituut voor Landbouw-, Visserij- en Voedingsonderzoek (ILVO) is een kippenren. Op een boogscheut van de E40 tussen Wetteren en Gent scharrelen zo’n tweehonderd kippen in de volle grond. In het zwarte zakje dat tussen hun nekjes en hun ruggen is gespannen, zit een zender die elk van hun bewegingen registreert. Van iedere kip weten de onderzoekers precies wat ze doet.

Even opvallend is de zelfs in de winter weelderige beplanting in deze ren. Reubens wijst aan en benoemt. Verschillende rassen hazelaars in de ren, hakhoutbosjes van wilgen langs de randen. ‘Kippen zijn van nature bosvogels’, vertelt Reubens terwijl we op de afsluiting leunen en het getrippel van de kippen bekijken. ‘Ze hebben beschutting nodig. Als ze die niet hebben, klitten ze samen rond het hok en laten hun uitwerpselen altijd op dezelfde plek vallen, waardoor er puntvervuiling ontstaat. Terwijl je die ruimte veel efficiënter kan benutten. Door er bomen te planten, voelen de kippen zich veilig en wagen ze zich verder van het hok. Bovendien brengen hazelaars noten op en kunnen wilgentakken gebruikt worden voor compost, als mulslaag of als lokaal geproduceerde biomassa. In hoeverre kippen, hazelaars en wilgen elkaar versterken, dat proberen we hier te meten.’

De kippenren is een geïntegreerde proefopstelling voor agrobosbouw. Het is een landbouwmethode waarin bomen geen hinderpaal zijn voor de voedselproductie maar er juist een sleutelrol in spelen. Omdat ze natuurlijke opslagbronnen van koolstof zijn, maar ook omdat ze met hun diepe wortelstelsel voedingsstoffen naar de hogere bodemlagen halen en de bodem beschermen tegen erosie.

Agrobosbouw is een nieuwe naam voor een oude landbouwtechniek. Ooit waren bomen op boerderijen vanzelfsprekend.

Agrobosbouw is een nieuwe naam voor een oude landbouwtechniek. Ooit waren bomen op boerderijen vanzelfsprekend. Knotwilgen bakenden percelen af, varkens wroetten rond in de boomgaard, populieren gaven de grens aan tussen weg en veld. Op veel plaatsen werden bomen gerooid vanwege de steeds groter wordende landbouwmachines. Efficiëntie is lang vertaald in meer opbrengst door specialisatie, schaalvergroting en automatisering. Agrobosbouw geeft een andere invulling aan efficiëntie. Door gewassen, dieren en bomen met elkaar te combineren, ontstaat een gemengd voedselsysteem en een kringloop van levensvormen die elkaar ondersteunen en beschermen. In ruimere zin is dit binnen de agro-ecologie een belangrijk principe: natuurlijke processen zijn geen hinderpalen maar hulpbronnen.

‘Het is een vorm van verticale landbouw die de beperkte ruimte beter benut en beheert en die de risico’s voor de boer spreidt’, legt Reubens uit. ‘Neem nu die hazelaars. We importeren de meeste van onze hazelnoten uit Turkije, terwijl de hazelaar hier perfect kan groeien. We willen onderzoeken welke rassen het best geschikt zijn voor Vlaanderen. Dat geldt evengoed voor walnoten en kastanjes. Noten zijn een alternatieve eiwit- en zetmeelbron en geven de boer een extra inkomen.’

Ik ben proMO*

Met MO* zorgen wij voor écht nieuws over echte mensen in heel de wereld. Wil je ook ons unieke journalistieke project mogelijk maken? Word dan proMO*. Als proMO* word je lid van onze community, mag je gratis naar al onze events en kan je in dialoog gaan met onze journalisten. Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Geweldig! Ik word proMO*

Kennisintensief

Het klinkt eenvoudig, maar agrobosbouw is meer dan zo maar wat bomen planten in een grasland of langs een perceel. ‘Het is heel kennisintensief. Wie natuurlijke processen en landbouw met elkaar wil verzoenen, moet leren omgaan met een zekere mate van onvoorspelbaarheid en goed weten hoe hij zijn bodem zo goed mogelijk beheert of welke bloemenmengsels hij het best zaait om natuurlijke vijanden aan te trekken. Wat wij onderzoeken is niet zo maar “de natuur haar gang laten gaan”, het is aftasten en afwegen hoe je de natuurlijke processen die je wilt stimuleren kunt sturen.’

Het is kennis die zich niet makkelijk laat vergaren. Omdat de omgeving altijd meespeelt in agro-ecologische processen, moet iedere hypothese proefondervindelijk worden getest. Op het veld. Niet in een lab. Zo’n twintig testpercelen voor agrobosbouw, gespreid van Ieper tot Tongeren, volgt het team van Reubens. Omdat er nog weinig volgroeide agrobosbouwsystemen zijn in Vlaanderen, gaat het vaak om bestaande bomenrijen langs traditioneel bewerkte percelen.

Op termijn kan agrobosbouw leiden tot een klimaatneutrale landbouw met een minimale milieu-impact. ‘Maar’, stelt Reubens, ‘er is nog veel onderzoek nodig.’

Zelfs hier, op deze gronden waar de bodem deels gevoed wordt met kunstmest en waar wanneer nodig de sproeimachine passeert, stelt Reubens invloed van de bomen en hun wortelstructuur op de grond vast. Hoe dichter bij de bomenrij, hoe hoger de concentratie aan koolstof. Het is een van de grootste troeven van agrobosbouw: door bomen te planten op akkers en velden creëer je een koolstofreservoir. Dat is goed voor de plantengroei en voor het klimaat. Op termijn kan agrobosbouw leiden tot een klimaatneutrale landbouw met een minimale milieu-impact. ‘Maar’, stelt Reubens, ‘er is nog veel onderzoek nodig.’

Alleen: dat gebeurt niet altijd. Het is een vreemde vaststelling. Anders dan in onze buurlanden bestaan er in België nauwelijks leerstoelen agro-ecologie of agrobosbouw. Is het omdat je het niet kunt testen in een lab maar met je laarzen in de modder moet gaan staan? Of omdat men het nog graag “onwetenschappelijk” noemt? Zelf voelt Reubens zich nogal ongemakkelijk met die tweedeling tussen gangbaar en agro-ecologisch.

‘Natuurlijk is er zoiets als het ideaalbeeld van wat een perfect agro-ecologische landbouw kan zijn. Maar het heeft weinig zin om te veroordelen en een scherpe grens te willen trekken tussen goed en slecht. Elke landbouwer gaat van een bepaald verleden uit, er is een bepaalde bedrijfs- en perceelsgeschiedenis die men meedraagt. Het gaat erom vanaf elk van die uitgangspunten te kijken hoe je vooruit kunt, met een biodiverse landbouw voor ogen, een landbouw die een hoge milieukwaliteit nestreeft, die rendabel is en waarop de landbouwer met recht trots kan zijn.’

Veel van de principes binnen de agro-ecologie zijn tot op zekere hoogte toe te passen in een klassiekere soort landbouw. Bloemenranden aanleggen, bijvoorbeeld, of de grond na de laatste oogst inzaaien met bodembedekkers of groenbemesters. Deze klavers, phacelia’s of gele mosterd zorgen ervoor dat voedingsstoffen als stikstof en fosfor in de bodem blijven en niet wegspoelen met de eerste de beste stortbui. Op langere termijn verminderen ze de behoefte aan kunstmest omdat het bodemleven zelf weliger tiert.

‘Ik vind de uitwisseling van kennis en ervaring interessanter dan het opbod ervan’, zegt Reubens. ‘De kringloop sluiten, zo weinig mogelijk verloren laten gaan, is een uitgangspunt dat ook de gangbare landbouwer enkel voordeel oplevert. Zijn velden worden landschappelijk waardevoller en hij geeft minder geld uit aan kunstmest en pesticiden. Maar laat het duidelijk zijn: een echte agro-ecologische ommezwaai vereist een systeemaanpak. Het ecologisch potentieel van agrobosbouw bijvoorbeeld wordt pas ten volle benut als de bodem zo weinig mogelijk verstoord wordt, organische meststoffen kunstmest vervangen en natuurlijke plaagbeheersing de rol van pesticiden kan overnemen.’

In die zin blijft de verzoening tussen gangbaar en agro-ecologisch bij momenten een schoolvoorbeeld van ambivalent partnerschap.

Productiviteit

Als ik naar het biologische proefbedrijf van Inagro in Roeselare rijd, valt het me op hoeveel akkers deze winter niet bruin maar groen kleuren. Sinds Europa subsidies is gaan geven voor het inzaaien van deze zogeheten vanggewassen, zijn tal van boeren overstag gegaan.

De ironie van de maatregel blijkt in de lente, wanneer de boer het veld klaarmaakt voor de teelt waarvoor het bedoeld is. Terwijl de agro-ecologie zo weinig mogelijk de bodem verstoort en deze gewassen als extra voedingsstof levend omwoelt in de grond, haalt de traditionele boer zijn vertrouwde sproeimachine van stal en spuit de groenbemester met Roundup dood.

‘Voor de gangbare landbouw is het niet van belang aan te tonen dat Roundup niet goed is.’

‘Dat wringt natuurlijk’, vertelt Lieven Delanote. Sinds de eeuwwisseling stampte deze zoon van een West-Vlaamse boer op het proefterrein van Inagro een biologisch testterrein uit de grond. Ooit diende hij een onderzoeksproject in om na te gaan wat het effect is van Roundup op het bodemleven. De vraag werd niet gehonoreerd voor financiering. Niet relevant, stond op het antwoordformulier van de onderzoeksinstelling. ‘Begrijpelijk’, zegt Delanote. ‘Voor de gangbare landbouw is het niet van belang aan te tonen dat Roundup niet goed is.’

Liever dan te bewijzen wie de beste of de grootste is, zoekt Delanote op zijn proefvelden naar de permanente verbetering van biologische teeltwijzen. Hij studeerde voor bio-ingenieur en noemt zichzelf liever praktijkwerker dan wetenschapper. ‘Maar wat we doen is wetenschappelijk onderbouwd. We gaan uit van een aantal basisprincipes – de kringloop van voedings- en afvalstoffen, het stimuleren van natuurlijke vijanden, aandacht voor de bodem. Op de twaalf hectaren die we bewerken, hanteren we een vaste vruchtwisseling van groenten, akkergewassen en rustgewassen.’

Hij wijst naar een veld waar de prei militair precies opschiet, strak in rijen van vier met tussen elke rij een brede strook. ‘Hiervoor hebben we een eigen tractor ontworpen.’ In de schuur van de boerderij staat hij te glimmen. Een verhoogde John Deere met een chassis van drie meter breed. Hij kan autonoom rechtdoor rijden en plant en zaait met zijn gps preciezer dan een mens. Het grootste voordeel, zegt Delanote, is dat hij altijd in hetzelfde spoor rijdt en zo de bodem zo weinig mogelijk belast. ‘Dat is agro-ecologie’, meent Delanote. ‘Randvoorwaarden scheppen om alles te laten groeien en bloeien. Daarbij helpt de technologie. Alleen: het gaat niet om de technologie om de technologie.’

‘Als je meer variatie aanbrengt in je teelten, dan kun je meerdere keren per jaar oogsten.’

Toen José Graziano da Silva in 2012 aantrad als directeur van de Wereldvoedselorganisatie (FAO) zei hij al: ‘We hebben honderd jaar nodig gehad om de scheikunde in de landbouwpraktijk te introduceren. We zullen ons er sneller weer van losmaken.’ Da Silva pleitte voor een nieuwe groene revolutie, een echte groene revolutie, waarbij landbouw en natuur elkaar versterken in plaats van verdringen. ‘We focussen te veel op productiviteit’, meent ook Reubens. ‘Onze productiviteit is enorm hoog, dat is een verwezenlijking die je niet van tafel kan of mag vegen, maar het is tegelijk een beperkte productiviteit, omdat je slechts één keer per jaar oogst. De ruimte kan efficiënter benut worden. Als je meer variatie aanbrengt in je teelten, die elkaar liefst ook nog eens ondersteunen of versterken, dan kun je meerdere keren per jaar oogsten.’

“Ecologische intensivering” is een term die wetenschappers als Pablo Tittonell van de universiteit van Wageningen of Charles Godfray van het Oxford-Martin-Programma voor de toekomst van voedsel gebruiken voor een landbouwmodel dat de beschikbare ruimte zo goed mogelijk benut zonder afhankelijk te zijn van externe input. Afval wordt voedsel. En wat een boer niet zelf produceert, kan hij uitwisselen met een boer verderop. Dat is wat Delanote doet. De grasklaver waarmee hij zijn grond voedt, ruilt hij met een veeteler in de buurt voor stalmest.

© Reporters

Veel principes uit de agro-ecologie zijn toe te passen inde traditionele landbouw. Ze verminderen de behoefte aan kunstmest en pesticiden en maken de velden landschappelijk waardevoller. Maar voor een echte ommezwaai is een systeemaanpak nodig.

Krekels

Wat op de grond lukt, kan even goed in een kantoorgebouw. Want ecologische intensivering gaat niet alleen over een gemengd gebruik van landbouwgrond, maar ook over het opwaarderen van restruimte en over de zoektocht naar alternatieven voor dierlijke eiwitten, waarvan we er in het Westen te veel eten. Een dieet dat mondiaal onhoudbaar is en een enorme impact heeft op de klimaatverandering.

In GreenBizz, een groene incubator op een boogscheut van Thurn & Taxis, kweekt Little Food krekels. Voorlopig op twee verdiepingen, maar op langere termijn moeten dat er drie worden.

Krekels houden van warm, donker en dicht op elkaar zitten. ‘Onze krekels zijn de ideale manier om de cirkel te sluiten’, vertelt Nikolaas Viaene. Samen met collega bio-ingenieurs Maïté Mercier en Raphaël Dupriez specialiseerde hij zich in het kweken van deze insecten. Aanvankelijk in een kamer van een flat in Brussel, ondertussen op bijna drie verdiepingen. Goed voor een productie van 2,5 ton of tien miljoen krekels per maand. De principes zijn glashelder: er mag zo weinig mogelijk verloren gaan. ‘De krekels eten de perskoek van lijnolie en zonnebloemolie – een restproduct van de voedingsindustrie – en zo maken we twee producten: goede lekkere krekels vol proteïne en mest die terug kan naar de velden.’ Dat laatste lukt nog niet helemaal. Tussen plannen en uitvoering staat bij een beginnend bedrijf wel vaker gebrek aan geld.

MO*talks 14 maart @ deBuren:

Méér mensen, méér stedelingen,
minder boeren: wie voedt ons in 2050?

‘We willen alles zo ecologisch mogelijk doen – we kweken in een energieneutraal gebouw, we werken met zonnepanelen en een warmtewisselaar voor extra verwarming –, maar we streven er ook naar om onze schaal te vergroten. Dat je ecologisch aan landbouw doet of voedsel produceert, betekent niet dat je per se klein moet blijven. Als we van krekels een echte vleesvervanger willen maken, dan kunnen we niet anders dan groeien en automatiseren.’

Vervellen, noemt hij het zelf. ‘Je kunt een idealistisch project ontwikkelen, maar als dat economisch niet levensvatbaar is, dan heb je geen impact. Volgens mij is het mogelijk te groeien met respect voor ecologische principes. Ook dat willen we bewijzen.’

Dit artikel werd geschreven voor het lentenummer van MO*magazine. Voor slechts €28 kan u hier een jaarabonnement nemen!

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Klimaat en sociaalecologische transitie

    Tine Hens is historica, journaliste en auteur van Het klein verzet (Epo, 2015), het verhaal van mensen die van Griekenland tot Denemarken in hun eigen wijk of stad, of met hun eigen b

    Actieve thema's