Grote ongelijkheid bemoeilijkt sociaal klimaatbeleid

Pedro Conceição (VN): ‘Ongelijkheid ondermijnt democratie en blokkeert klimaatbeleid’

CC Gie Goris (CC BY-NC 2.0)

Het Wereld Economisch Forum in Davos, de jaarlijkse jamboree voor wie rijk, beroemd of machtig is, focust dit jaar op klimaat. Dat hebt u ongetwijfeld al gelezen en gehoord via de media. Maar de elites willen het ook hebben over een wereld waarin maatschappelijke cohesie gerealiseerd wordt. Het hele thema van de conferentie luidt: Stakeholders for a Cohesive and Sustainable World.

Sociale samenhang en een duurzame wereld zijn lovenswaardige ambities, maar het is net de enorme ongelijkheid tussen de Davos-elite enerzijds en anderzijds de arme of precaire helft van de mensheid die beide doelen zo moeilijk te realiseren maakt. Dat is de boodschap die onder andere de Verenigde Naties steeds uitdrukkelijker verkondigen.

Hoe groot die ongelijkheid is, berekende Oxfam in haar jaarlijkse rapport naar aanleiding van de Davos-conferentie. ‘2153 miljardairs hebben meer vermogen dan de 4,6 miljard mensen die 60 procent van de wereldbevolking uitmaken’, stelt Oxfam-Solidariteit. ‘De wereldwijde ongelijkheid blijft schrikbarend diepgeworteld en enorm. De afgelopen tien jaar is het aantal miljardairs verdubbeld en is het vermogen van miljardairs gemiddeld met 7,4 procent per jaar toegenomen.’

Het is de enorme ongelijkheid tussen de Davos-elite en de arme of precaire helft van de mensheid die duurzaamheid en sociale cohesie zo moeilijk te realiseren maakt.

In december publiceerde de VN-ontwikkelingsorganisatie (UNDP) zijn jaarlijkse rapport over menselijke ontwikkeling onder de titel Voorbij inkomen, voorbij gemiddelden, voorbij vandaag. Ongelijkheid in menselijke ontwikkeling in de 21ste eeuw. MO* sprak daarover met Pedro Conceição, directeur van het Human Development Report Office binnen UNDP en hoofdauteur van het Human Development Report.

We kunnen ongelijkheden aanpakken, als we nu handelen, voordat de onevenwichten in economische macht echt politiek verankerd geraken’, stelt het Human Development Report. Het is een kernzin, omdat hij duidelijk maakt dat het rapport ongelijkheid niet benadert als een ethisch probleem, maar als een realiteit die niet alleen economisch meetbaar is, maar ook aanwijsbare politieke gevolgen heeft. Want als rijkdom extreem geconcentreerd geraakt, is de kans groot dat ook de politieke macht in de greep van de één procent geraakt.

State capture, heet dat in jargon: de elite heeft zo veel financiële middelen, dat ze daar ook politieke macht mee kan kopen, ook in democratisch verkozen regeringen en parlementen, waardoor het beleid telkens verder gaat in het dienen van de belangen van de één procent, waardoor steeds meer financiële middelen geconcentreerd geraken, …

Het VN-rapport stelt niet alleen dat de ongelijkheid toeneemt of nieuwe vormen aanneemt, maar signaleert ook dat de politieke consequenties daarvan toenemen en waarschuwt alvast dat het straks te laat kan zijn om daar nog wat aan te doen. De evidente vraag is dan ook: hoe doorbreek je die dynamiek?

Pedro Conceição: Wij stellen inderdaad vast dat, naarmate de accumulatie van economische macht toeneemt, ook de scheeftrekking van politieke macht groeit. Dat resulteert in een zichzelf voedende en versterkende spiraal van privilege en ongelijkheid. In het rapport analyseert de Nederlandse historicus Bas van Bavel voorbeelden van markteconomieën uit de oudheid tot de voormoderne tijd. Allemaal leidden ze tot hoge niveaus van ongelijkheid in bezit en grond, telkens vertaalde zich dat in de accumulatie van politieke macht in de handen van een kleine elite, en uiteindelijk resulteerde dat in de ineenstorting van hele samenlevingen en met name tot ecologische rampspoed.

De markt leidt tot hoge niveaus van ongelijkheid, accumulatie van politieke macht, en de ineenstorting van hele samenlevingen en ecologische rampspoed.

De reden voor dat laatste is voornamelijk dat de beslissingsmacht van de gewone bevolking bij toenemende ongelijkheid vermindert. Bovendien zijn de investeringen van de rijke en machtige elite niet op lange termijn, duurzaamheid of sociale samenhang gericht is, maar op individuele kortetermijnwinst. Die logica komt naar voor bij elke markteconomie die over echt langere periode bestudeerd kan worden – bijvoorbeeld Irak, Italië en de Lage Landen van de middeleeuwen.

State capture is wel destructief, maar niet illegaal. Het grootste deel van de oneigenlijke invloed van de rijke elite wordt uitgeoefend op volkomen legale wijze. Lobbying, bijvoorbeeld, is niet tegen de wet.

Uiteindelijk komt het hierop neer: de beslissing om de rijke elite politieke invloed af te nemen, moet genomen worden door de politieke elite die heel nauw verweven is met de economische elite.

Pedro Conceição: Klopt. Maar het gaat verder. Dat de elite maar node in zal gaan tegen haar eigen belang is duidelijk, maar in sterk gepolariseerde samenlevingen wordt het ook steeds moeilijker om de maatschappij als geheel politiek te vertegenwoordigen. Radicale beleidswijzigingen om ongelijkheid te verkleinen, zijn eerder onwaarschijnlijk. En een beleid dat alle burgers alle gelijken behandelt eveneens. Nochtans weten we dat universele dienstverlening, bijvoorbeeld op vlak van onderwijs en gezondheidszorg, de beste optie is.

Dat gaat in tegen de klassieke visie van de Wereldbank. Die stelt dat universele diensten onbetaalbaar zijn in armere landen, en pleit daarom voor goed gerichte openbare diensten voor de armsten, aangevuld met marktinitiatieven voor wie die kan betalen. Amartya Sen toont aan dat de sociale resultaten van die gerichte aanpak een stuk slechter zijn dan wanneer de staat ook gratis onderwijs en gezondheidszorg voor de rijken aanbiedt. Reden: als de rijken deel uitmaken van een systeem dat voor iedereen geldt, dan eisen ze meteen voor iedereen goede kwaliteit. In het andere geval zullen ze eerder aandringen op besparingen, omdat ze via hun belastingen moeten betalen voor een aanbod waarvan ze geen gebruik maken. Ze aanvaarden dus minderwaardige kwaliteit van publiek onderwijs of van openbare ziekenhuizen, want ze kopen zelf wel hoge kwaliteit op de markt.

Pedro Conceição: In het rapport wijzen we er op dat gerichte initiatieven wel degelijk nodig kunnen zijn, maar dan voor groepen die systematisch uitgesloten worden of werden. De gerichte aanpak sluit beter aan bij groepsongelijkheden op basis van gender, etniciteit, taal … Voor hen zijn gerichte initiatieven soms noodzakelijk, of ten minste specifieke maatregelen om toegang tot het universele aanbod te faciliteren.

Ongelijkheid heeft uitgesproken negatieve gevolgen voor de samenleving omdat politieke macht geconcentreerd geraakt bij een kleine elite, ook al worden er om de zoveel jaar verkiezingen gehouden op basis van één mens één stem. Maar ongelijkheid heeft ook rechtstreekse verbanden met klimaatverandering en migratie, twee van de meest urgente mondiale uitdagingen. Hoe kijkt het rapport bijvoorbeeld naar de bewering dat de huidige migratie naar rijke landen de reeds beperkte economische en politieke macht van de laagste klasse nog verder doet afkalven, terwijl ze voordelig is voor de economische winsten van de elite?

Pedro Conceição: Het rapport heeft die en andere vragen over ongelijkheid en migratie in dit rapport niet behandeld. Dat vormt zo’n complex terrein dat een eigen en diepgaande benadering vraagt.

Klimaat, dan. We weten dat de armste mensen en landen een verwaarloosbare voetafdruk hebben vergeleken met Belgen of Amerikanen. Ze dragen, zeker individueel en ook historisch, nauwelijks bij tot het probleem, maar ze zijn nu al de eerste slachtoffers van de gevolgen van de klimaatverandering. Die feiten zijn gekend, maar dat lijkt niet te helpen om burgers, bedrijven of overheden aan te zetten tot een rechtvaardige transitie.

‘In een sterk ongelijke en dus gepolariseerde samenleving werkt alles tegen het voeren van een beleid ten voordele van wat gemeengoed is, zoals klimaat’.

Pedro Conceição: De gevolgen van klimaatverandering zijn inderdaad ongelijk verdeeld, en de kans is groot dat ze bestaande ongelijkheden ook nog eens versterken of nieuwe ongelijkheden toevoegen. Het rapport stelt bovendien dat die groeiende ongelijkheid het nog moeilijker maakt om tot het noodzakelijke klimaatbeleid te komen.

Want in een sterk ongelijke en dus gepolariseerde samenleving werkt alles tegen het voeren van een beleid ten voordele van wat gemeengoed is, zoals klimaat. Bovendien zullen belangengroepen die voordeel hebben bij de status quo het beleid zo proberen ombuigen of beïnvloeden dat hun kortetermijnbelang gevrijwaard wordt.

Kijk naar het verzet tegen fiscale maatregelen om het verbruik van fossiele brandstoffen te ontmoedigen tegenover het gebruik van hernieuwbare energie. Enerzijds willen belangenroepen niet bijdragen, ondanks hun rijkdom; anderzijds heeft de bevolking het gevoel dat ze moet betalen voor een systeem waarvan ze steeds minder geniet. Dat leidt tot conflict en het is perfect te instrumentaliseren door wie de status quo verdedigt.

Positief geformuleerd: als ongelijkheid effectief bestreden wordt, komt er meer ruimte voor een echt maatschappelijk debat over klimaatverandering en ontstaat er dus ook meer beleidsruimte om de noodzakelijke transitie in te zetten.

Ik ben proMO*

Met MO* zorgen wij voor écht nieuws over echte mensen in heel de wereld. Wil je ook ons unieke journalistieke project mogelijk maken? Word dan proMO*. Als proMO* word je lid van onze community, krijg je ons magazine en kan je gratis aan onze events deelnemen. Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Geweldig! Ik word proMO*

De vraag is wat die “noodzakelijke transitie” inhoudt. Is het een radicaal ander systeem van produceren en consumeren, van wonen en werken, van mobiliteit en burgerschap? Of is het vooral een kwestie van nieuwe technologische oplossingen zodat we de levensstijl niet hoeven aan te passen en toch “de planeet kunnen redden”?

Pedro Conceição: Er zijn mensen die geloven dat het probleem van de klimaatverandering opgelost kan worden binnen het huidige politiek-economische systeem, door ander gedrag te belonen, door nieuwe technologie te ontwikkelen, door vervuiling te belasten. Anderen, zoals bijvoorbeeld Naomi Klein, zijn ervan overtuigd dat een fundamentele omslag in de economie een noodzakelijke voorwaarde is om tot een oplossing te komen. Het rapport zit eerder op de eerste lijn: met de juiste investeringen, incentives en technologie is een goede aanpak mogelijk. Maar dat is geen harde wetenschap, het is niet bewezen. In het HDR van volgend jaar gaan we de vragen rond rechtvaardige en duurzame transitie centraal plaatsen en in de diepte uitwerken. Hopelijk kunnen we dan beter aantonen wat we nu aanvoelen.

Basisbehoeften en nieuwe ongelijkheden

Het Human Development Report dat half december verscheen, spreekt niet in simplistische termen over ongelijkheid, maar verbindt diverse ongelijkheden met verschillende categorieën van menselijke ontwikkelingsmogelijkheden. Extreme armoede, genderdiscriminatie, de kloof tussen stad en platteland zijn voorbeelden van wat het rapport basiscapaciteiten noemt, en de evolutie op dat vlak is positief, stelt men vast: het aantal extreem armen daalt, de levensverwachting neemt overal toe, met name in landen met lage ontwikkeling, er wordt vooruitgang geboekt inzake gendergelijkheid – al is de weg nog lang.

‘Er moet eerst werk gemaakt worden van de strijd tegen kindersterfte voordat je werk kunt maken van voortgezet onderwijs voor iedereen’

De grote zorg van dit rapport gaat uit naar “een nieuwe generatie van ongelijkheden”, die minder betrekking hebben op de basiscapaciteiten, en eerder op wat verhoogde capaciteiten genoemd wordt, zoals toegang tot digitale technologieën of hoger onderwijs. Op die terreinen ziet het rapport eerder toenemende dan krimpende ongelijkheid.

Moet een goed ontwikkelingsbeleid eerst inzetten op de basiscapaciteiten van mensen, als een voorwaarde om de nieuwere, “enhanced capabilities” te ontplooien?

Pedro Conceição: Tot op zekere hoogte, ja. Daarom hebben wij het over primaire en secundaire ongelijkheden. Daarom gebruiken we ook het beeld van stapstenen: je kan pas dromen van levensverwachtingen die verder gaan dan veertig, als je ouder wordt dan vijf. Met andere woorden: er moet eerst werk gemaakt worden van de strijd tegen kindersterfte voordat je werk kunt maken van voortgezet onderwijs voor iedereen. Het is zelfs meer dan primair of prioritair: de basiscapaciteiten zijn funderend, noodzakelijk en essentieel voor al de rest.

Voor alle duidelijkheid: dit gaat niet om een oordeel over wat meer of minder belang heeft, maar om een empirische vaststelling. En gelukkig stellen we vast dat er vooruitgang gemaakt wordt op het vlak van deze eerste stapstenen voor menselijke ontwikkeling. Het is ook op deze basiscapaciteiten dat bijna alle internationale samenwerking en hulp gericht is: mensen uit de armoede halen, het aanbieden van het meest noodzakelijke onderwijs en van basisgezondheidszorg. Voor de rest, gelooft men, zal de markt beter zorgen dan de overheid kan doen. De feiten lijken dat geloof tegen te spreken.

Bovendien zien we nieuwe ongelijkheden ontstaan. Die nieuwe ongelijkheden zijn, volgens onze analyse, nauw verbonden met de frustratie die zo veel mensen vandaag voelen. De vaststelling is immers dat de meeste protesten niet aangevuurd of gedragen worden door mensen die ver onder de armoedegrens overleven, maar net door mensen die niet hongerig gaan slapen of dakloos in portieken slapen. Het zijn mensen die – omdat hun echt primaire noden voldaan zijn – terecht bijkomende wensen en ambities ontwikkelen, maar dan op een muur van ongelijkheid botsen.

We moeten onze inzet voor de basisnoden en basiscapaciteiten niet verminderen, want er blijven ook daar tekorten en zeker ongelijkheden. Maar we moeten ons tegelijk veel meer bezighouden met de secundaire ongelijkheden.

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws

In het rapport en in het maatschappelijk debat over ongelijkheid en armoede, is er veel aandacht voor de kansen die de digitale revolutie biedt voor wie uitgesloten is. Er is een specifiek jargon voor: de digitale revolutie “unlocks the potential” van marginale boeren en vrouwelijke handelaars. Maar wie op het terrein gaat in de binnenlanden van lage- en zelfs middeninkomenslanden, merkt daar niets van. Het lijkt er steeds meer op dat het discours over de potentieel emanciperende kracht van technologie volkomen losgekoppeld is van de realiteit van mensen die aan de onderkant van de samenleving leven. De vraag is dan: is dat het gevolg van de armoede zelf, of kunnen mensen de digitale mogelijkheden niet gebruiken omdat ze niet beschikken over de basiscapaciteiten, als stapstenen naar verhoogde capaciteiten?

‘De toegang tot internet illustreert de nieuwe ongelijkheid: in het Noorden is breedband standaard, in het Zuiden is er wat dat betreft stilstand – en dus groeit de achterstand.’

Pedro Conceição: De mogelijkheden van digitalisering bestaan, maar ze blijven abstract voor de armen. Of beter: ze worden wel degelijk gebruikt, maar op een basaal niveau. Mensen in de meest afgelegen gebieden of in de armste wijken van de steden gebruiken hun gsm, onder andere voor financiële transacties. Dat zijn geen smartphones, geen dure spullen, maar ze zijn effectief. Je kan geld storten, betalingen doen, tekstberichten sturen.

Maar als we spreken over “empoweren”, dan moet je toch over breedbandinternet kunnen beschikken, en op dat vlak is er te weinig en te traag vooruitgang. Dat illustreert perfect wat het rapport bedoelt met nieuwe en groeiende ongelijkheid: in het Noorden is breedbandinternet standaard, waardoor de ontwikkeling er accelereert. Aan de onderkant, in het Zuiden, is er wat dat betreft stilstand – en dus groeit de achterstand.

In Colombia, bijvoorbeeld, heeft de helft van de bevolking geen toegang tot het internet. In de steden zijn er nieuwe en beter kansen voor ondernemerschap dankzij snel internet, maar op het platteland is er gewoon geen aansluiting. Dat zegt niets over het potentieel, maar alles over de actuele en groeiende ongelijkheid. Om deze ongelijkheid aan te pakken, heb je dus investeringen nodig in goede infrastructuur.

Wellicht heeft de internationale ontwikkelingswereld daar wel oren naar. Er is zoveel fanfare over digital for development – zeker in België de afgelopen jaren – dat geld vinden voor connectie op het platteland misschien niet makkelijk is, maar toch veel meer kans maakt dan geld zoeken om boeren te ondersteunen in hun eis om grootgrondbezit te herverdelen onder degenen die de grond bewerken. Iedereen wil investeren in the next shiny thing, ook in ontwikkelingssamenwerking. Maar wie zet zijn schouders nog onder strijd, bevrijding of een radicaal andere economie?

Pedro Conceição: Dat is een heel fundamentele vraag, die de technologische uitdaging verre overstijgt. Het gaat inderdaad over prioriteiten, want de middelen zijn beperkt. Waarin moeten overheden of donoren investeren? Uiteraard zullen de VN zich daarover niet uitspreken, want dat is de bevoegdheid van staten zelf. Maar we geven wel goede voorbeelden, zoals bijvoorbeeld Ethiopië. Dat is nog steeds een heel arm land, maar men begint er toch werk te maken van kleuteronderwijs.

Dat maakt duidelijk dat overheden, zelfs in omgevingen met heel schaarse middelen, keuzes kunnen maken die uitgaan van de aspiraties van nieuwe generaties en niet enkel van de onmiddellijke basisbehoeften. Al blijven die natuurlijk wel een noodzakelijke voorwaarde om de rest goed te kunnen ontwikkelen.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2751   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur