Over ontmoetingen die je veranderen

‘Ik ben niet meer van dit land’

© Ziyad Matti

 

Als kind was ik heel gelovig en bracht veel tijd door in de moskee, waar ik koranverzen uit mijn hoofd leerde. Maar toen ik een jaar of veertien was, veranderde dat.

Ik had andere interesses dan de jongens van mijn leeftijd. Al mijn kameraden waren dertig jaar of ouder en op mijn vijftiende begon ik naar de bibliotheek te gaan. Ik las er gedichten en boeken over geschiedenis en cultuur. ‘Karrar, je bent niet normaal!’, zeiden mijn klasgenoten. Zij hielden zich bezig met hun Playstation. Ja, dat interesseerde mij ook, maar toch was ik meer bezig met het zoeken naar antwoorden op de vraag ‘waarom’.

Wereldblogger Patricia leerde Karrar uit Irak kennen als één van haar cursisten in de les Nederlands. Samen schreven ze zijn vluchtverhaal neer. 

Het gesprek vond half augustus plaats. Maar in oktober kwam een nieuwe generatie Irakezen op straat om te protesteren tegen de corrupte regering, de hoge werkloosheid en de gebrekkige voorzieningen. De Irakese veiligheidsdiensten gebruikten traangas en schoten met scherp op de manifestanten. Volgens officiële media vielen daarbij ruim honderd doden. Voor de eerste keer werd het internet in het hele land afgesloten.

Op zoek naar antwoorden

‘Waar’ en ‘waarom’ zijn twee woorden die steeds met mij meegroeien. Die twee woorden gaven mij alles. Zoals ‘waar is dat land?’, ‘waar is die mens?’ en ‘waar is God?’. Ik vond geen antwoorden in de islam en bleef tot mijn achttiende zitten met al mijn vragen. Toen ontmoette ik in Bagdad een oude man, van een jaar of vijftig of zelfs ouder. Hij zat altijd alleen in het café. Niemand wou bij hem zitten want hij was een kufar, een ongelovige. Hij was lid van de communistische partij, die in Irak verboden was maar onder haar leden veel dichters, schrijvers en zangers telde.

Ik vertelde de oude man dat ik wilde leren, maar niet wist waar te beginnen. Ik vroeg hem welke boeken ik moest lezen, waarop hij me aanraadde te beginnen met de boeken van Ali Al-Wardi, een socioloog die schreef over de geschiedenis van Irak, over de Irakese maatschappij en haar mentaliteit.

Terwijl ik aan tafel zat en las, vloog ik en ontdekte ik een nieuwe wereld

De boeken wakkerden een vuur in me op en werden mijn poort naar de wereld. Later las ik ook Nietzsche, Freud, Stephen Hawking en andere westerse auteurs. Ik zat aan tafel en las, maar eigenlijk vloog ik, want ik ontdekte een nieuwe wereld.

Ik hield van poëzie. Vooral de Palestijnse dichter Mahmoud Darwish was heel belangrijk voor mij. Ik begon zelf gedichten te schrijven. Stap voor stap werd een nieuwe Karrar geboren. Ik brak met mijn oude visies en begon anders te leven.

© Ziyad Matti

 

Ik kon niet zwijgen

Maar in 2005 – ik was toen negentien — kwam de Islamitische Dawa Partij officieel aan de macht, wat betekende dat religieuzen het land zouden leiden. Ik was tegen de religie. Islam plus politiek, dat kon niet voor mij. Ik moest reageren en ik kon niet zwijgen. Ik postte berichten op Facebook: tegen de Islam, tegen de profeet van de Islam, tegen de Koran en tegen God. Dat was het begin van mijn miserie. Religieuze leiders waren als heiligen: een rode lijn die je niet mocht passeren. Ik reageerde extreem tegen het systeem, waardoor ik op mijn tweeëntwintigste voelde dat ik niet van dit land, en niet van deze familie was.

Ik wou mijn moeder niet breken en beloofde haar dat ik zou stoppen. Maar dat was een leugen. Ik kon niet meer stoppen

Gewone moslims keerden zich tegen mij. De regering was tegen mij. Niemand stond nog aan mijn kant. Ik kreeg bedreigingen op Facebook. Ze kwamen me opzoeken in de computerwinkel die ik openhield met mijn broer. Ik verloor klanten.

Voor mijn ouders werd het moeilijk. Mensen begonnen mijn vader aan te spreken: ‘Jouw zoon doet dit en dat’. Mijn vader is een brave man en hij wou geen problemen. Hij smeekte me om te stoppen met mijn acties. Mijn moeder is heel gelovig. Zij had schrik voor wat er met mij zou gebeuren. Het ligt in de natuur van moeders om hun kinderen te beschermen. Ik wou haar niet breken en beloofde haar dat ik zou stoppen. Maar dat was een leugen. Ik kon niet meer stoppen.

De kanker van Irak

In april 2011 begon de Arabische Lente. We waren met een groep jongeren en hadden hoop. We wilden zoals in Tunesië het systeem en de regering veranderen. We kwamen op straat om te protesteren tegen de regering. Wij waren tegen de eerste minister, een extreem gelovig lid van de Islamitische Dawa Partij. Hij dacht dat hij gelijk stond aan Saddam Hoessein. Elke leider die bij ons een zetel krijgt in de regering neemt een slecht voorbeeld aan Saddam Hoessein. Allemaal dromen ze dat ze Saddam zijn en dat ze alle macht hebben.

Onze spandoeken vroegen alleen vrijheid en gelijkheid voor de gemeenschap. Wij wilden eenvoudige dingen. Vandaag vind ik het soms grappig dat we daarom vroegen. Hier zijn dat normale dingen. Hier in Europa zijn dat rechten. Wij vroegen om onze rechten!

Tijdens die demonstraties waren er in Bagdad veel soldaten, special forces en geheim agenten in burger. Ze hadden geen medelijden en maakten geen onderscheid. Ze schoten op iedereen, sloegen kinderen en oude mensen. Tijdens een van die demonstraties vlogen de helikopters vlak boven ons hoofd. We konden bijna niets zien door het zand dat opwaaide. Ik was heel bang. Vijf van mijn kameraden werden opgepakt door de politie. Ik kon vluchten door de kleine steegjes van de stad. Ik ken Bagdad als mijn broekzak. Zo speelde ik continu verstoppertje met de autoriteiten.

Mijn leven was niet meer veilig in Irak. Het was alsof ik niet langer welkom was in het huis van mijn vader en mijn eigen land me buitenschopte. Zo wilde ik niet dat mijn kinderen zouden opgroeien. Mijn zonen zouden misschien wel lid worden van een militie of extreem worden. Op een dag bracht ik onverwachts een bezoek aan de kleuterschool van mijn oudste zoon. De klas hing vol met foto’s van religieuzen en de leraar las soera’s voor aan kinderen van vijf jaar. Na een discussie met de directeur haalde ik mijn zoon van school.

Iran en Saoedi-Arabië zijn als twee vrouwen in één huis. Maar ze vechten hun problemen uit in Irak

Het systeem in ons land is als een kanker: moeilijk uit te roeien. Onze leiders voeren uit wat Iran beslist, want Iran is een shialand en staat aan de kant van onze regering die ook shia is. De soenni’s in Irak volgen Saoedi-Arabië. Iran en Saoedi-Arabië: dat is zoals twee vrouwen in één huis en die twee landen vechten hun problemen uit in Irak. De nieuwe generatie is dat spelletje beu. Ze hebben genoeg oorlogen gezien, genoeg problemen gezien, genoeg geleden onder de sancties. Zij willen een nieuw en rustig leven. Zij gaan iets veranderen, maar het duurt misschien nog twintig jaar.

© Ziyad Matti

 

Zo mooi is Bagdad

Ik vertrouw op de nieuwe generatie in ons land. Zij hebben sociale media, die hun ogen openden en hen helpen om makkelijk contacten te leggen. Ze weten wat er elders gebeurt, wat vrijheid is, wat rechten en plichten zijn. Ze reageren tegen het systeem. De Islamitische Dawa Partij en haar bondgenoten in de regering schrikken van die nieuwe generatie. Tot voor kort was de overheid in Irak er nooit in geslaagd om het internet volledig te blokkeren. De jongeren waren altijd slimmer dan de overheid. Maar we hebben tijd nodig, je kunt niet onmiddellijk alles veranderen.

Ik ben gevlucht uit Irak omdat ik er niet meer verder kon. Er was geen plaats voor iemand zoals ik. Maar natuurlijk mis ik Bagdad. Die stad is als mijn moeder en ik heb een sterke connectie met haar. Ik mis de grote standbeelden van Bagdad, iets wat ik in Europa nooit zag. De standbeelden van Sjahriaar en Sjeherazade, Ali Baba en de veertig rovers, Aladdin en de wonderlamp.

Op Midaan eTTahriir (Plein van de Bevrijding) staan twee grote zwaarden: daar demonstreerden we altijd tegen de regering. En dan zijn er de bruggen over de Tigris, de rivier die onze stad in tweeën deelt.

In België wordt gedacht dat Bagdad kapot is maar al die plaatsen bestaan nog. Bagdad is een stad met een heel speciale sfeer. Ik kan niet terug, want het is niet veilig voor mij. Maar jij kan gerust naar Bagdad gaan. Ik ben zeker dat je veilig zal zijn. Onze mensen vechten onder elkaar maar tegenover buitenlanders zijn ze heel vrijgevig en gastvrij. Dat is de Irakese tanaaquD, onze tegenstrijdige mentaliteit.

© Ziyad Matti

 

Zie je deze vijf handen die een zuil tegenhouden? Het schrift op de zuil is Sumerisch, de taal uit het oude Mesopotamië. De vijf handen zijn de vijf verschillende gemeenschappen die onze cultuur overeind houden. Tot op vandaag wonen er in Bagdad mensen van verschillende afkomsten en religies: christenen, moslims, yezidi en mandaeërs. Vroeger woonden er ook joden maar na de Nakba van 1948 vertrokken die bijna allemaal naar Israël. Sommige straten dragen nog steeds joodse namen en we hebben ministers die joods zijn van origine.

Maar hoe mooi Bagdad ook is, onze geschiedenis heeft altijd bloed gekend. En wij hebben nooit een democratisch verkozen regering gehad.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur